Bio Wars

Wat is beter: Biologisch boeren of Bio-industrie?
door Rik Peters

Zelden lijken tegenstellingen groter dan in de veeteelt: aai-koetjes tegenover varkensflats, kneuterige bio-boeren tegenover gigantische kippenschuren. De praktijk blijkt genuanceerder. Onder het motto 'ik eet zowiezo geen vlees, dus ik heb niks te verliezen' ging KIJK huisvegetariër Rik Peters de boer op, om beide werelden te vergelijken.

"Wij zijn het megazat!", riepen honderden actievoerders. Op zaterdag 17 maart was de Amsterdamse Dam bezaaid met activisten, tijdens een grote manifestatie tegen de bio-industrie. De stelling was stevig: megastallen zijn martelkerkers voor dieren, ze zijn slecht voor het milieu en ze bedreigen de volksgezondheid. Massaal boegeroep steeg op toen een van de sprekers verwees naar de plannen van een Brabantse boer: die wil in de Limburgse gemeente Horst aan de Maas een stal voor een miljoen kippen bouwen. Felgekleurde protestborden schoten de lucht in. Size does matter, stond erop. Groter is niet beter, daarover waren de aanwezigen het eens.
Wij Zijn het Mega Zat! Demonstratie
Verschillende organisaties voor dierenrechten en -welzijn kwamen in maart 2012 bijeen op de Amsterdamse Dam
om te protesteren tegen de megastallen van de bio-industrie.
Maar over de manier waarop agrariërs het wel moeten aanpakken, verschilden de meningen. Sommigen bepleitten vegetarisme of veganisme, en gunden alle veeboeren ruimhartig een nieuwe baan. Anderen vonden vleesconsumptie prima, maar wilde een kleinere maat. Biologische landbouw, bijvoorbeeld, want dat is beter voor dier, milieu en gezondheid. Omdat een mondiaal vleesloos voedingspatroon er voorlopig nog niet in zit (zie het stukje 'Het vegetarisch alternatief' verder op in dit artikel) neemt KIJK de biologische landbouw en de bio-industrie eens goed onder de loep. Welke van de twee zouden dieren kiezen? Welke matst het milieu het meest? En welke is beter voor de volksgezondheid?

Behalve naar het drukbezochte hoogtepunt van de hoofdstad leidde de zoektocht naar het antwoord op deze vragen naar het Brabantse Heeswijk-Dinther. In dit dorp - volgens Wikipedia onder meer een bezoek waard vanwege de Meierijsche Museumboerderij en Fazanterie de Rooie Hoeve - wachtte kippenboer Marcel Kuijpers. Inderdaad: de man van een miljoen. Aan de houten keukentafel presenteert hij de plannen waar hij samen met zijn drie broers al tien jaar aan werkt, al had hij moeite om KIJKs invalshoek te begrijpen. "Waarom moet ik worden afgezet tegen de biologische sector? Die was juist mijn inspiratiebron!"

Plofkippen en gebroken poten

Eerst even waar de expansiedrang van Nederlandse boeren vandaan komt. Die ontstond niet van maandag op dinsdag, maar kent een lange ontstaansgeschiedenis, die na de Tweede Wereldoorlog in versnelling raakte. De Hongerwinter van 1944-1945 was hard aangekomen en bracht toenmalig landbouwminister Sicco Mansholt op een nieuwe visie. Hij lanceerde de Mansholt-doctrine: zo veel mogelijk produceren voor zo weinig mogelijk geld, zodat Nederland nooit meer honger hoefde te hebben. Het werkte. Te goed, want door overproductie werd boter en melk in de jaren zestig tegen afbraakprijzen op de markt gekieperd. Mansholt betreurde zijn eigen filosofie, maar toen was de voortaan heersende denkrichting al bepaald.

De begeerde efficiëntie is zichtbaar op meerdere niveaus. Het aantal gehouden dieren nam toe: van 360.000 schapen in 1951 tot ruim 1,1 miljoen in 2010, en van krap 2 miljoen varkens in 1951 tot ruim 12 miljoen in 2010. Bovendien werden al die beesten zelf productiever: een koe gaf vijftig jaar geleden zo'n 5000 kilogram melk per jaar, nu meer dan 8000. En een Nederlandse kip legde in 1960 ongeveer 7,5 kilo eieren per jaar, maar inmiddels goed 14 kilo. Tegelijkertijd nam het aantal boerenbedrijven af: van 410.000 in 1950 naar 72.000 in 2010. Kortom: meer dieren, die productiever zijn, maar op minder locaties zijn samengebracht.

Doelmatig was het, maar de betrokken beesten waren het haasje. Kippen werden in vijftallen in legbatterijen gepropt, elk met 550 vierkante centimeter ruimte - minder dan een A4'tje. Vleeskuikens werden als 'plofkip' volledig vetgemest en konden hun eigen gewicht niet meer dragen. Leghennen hadden zo veel calcium nodig om al die eierschalen te produceren dat er te weinig overbleef voor hun eigen botten: een Engelse telling uit 1990 1iet zien dat bij aankomst in het slachthuis ruim een derde van de dieren gebroken poten had. Mansholts 'opschaling'kwam hun welzijn in elk geval niet ten goede.

Vijf vrijheden

Omdat vee niet vertelt hoe het zich voelt, is dierenwelzijn lastig te definiëren. Toch is dat geprobeerd. In 1965 werd de Engelse Commissie Brambell ingesteld. Geleid door zoöloog Francis Brambell onderzocht die hoe Europese boeren hun dieren hielden - en hoe dat beter kon. De bevindingen zijn later door de Farm Animal Welfare Council vertaald in de zogeheten 'vijf vrijheden, die noodzakelijk worden geacht voor dierenwelzijn: de dieren moeten vrij zijn van dorst, honger en onjuiste voeding; vrij van fysiek ongerief; vrij van pijn, verwondingen en ziektes; vrij van angst en chronische stress; en vrij om hun natuurlijke (soorteigen) gedrag te vertonen. Volgens critici valt er in de bio-industrie vooral voor wat betreft die laatste vrijheid nog flink wat verbetering te halen. Studies naar het gedrag van varkens laten zien dat de modderrollers ongeveer 60 procent van hun dag besteden aan wroeten en onderzoeken met hun snuit en mond. Kippen hebben eenzelfde nieuwsgierige neiging. Maar moderne stallen zijn lang niet altijd ingericht om dat gedrag mogelijk te maken: in krappe kooien kunnen kippen niet scharrelen, vlakke vloeren van beton zijn geen boeiend onderzoeksterrein voor varkens. De dieren kunnen hun natuurlijke instincten niet volgen en vervelen zich stierlijk.

En dat niet alleen. Bij gebrek aan mogelijkheden wordt soorteigen gedrag vaak botgevierd op soortgenoten. Verveelde varkens knabbelen bijvoorbeeld aan de staarten van stalmaten. De gevolgen zijn verwondingen, bloed, pijnlijke infecties en soms zelfs kannibalisme. Om dit te voorkomen, worden varkens gecoupeerd: het uiteinde van de krulstaart wordt afgeknipt, zodat er niet aan kan worden geknaagd. Bij kippen vindt om gelijke redenen snavelkappen plaats, waarbij het scherpste stukje snavel wordt verwijderd. Het zijn pijnlijke ingrepen, die 'staartbijten' en 'verenpikken' niet helemaal voorkomen en die moeilijk te rijmen zijn met de vijf vrijheden van Brambell.

snavelkap bij kuikens
Geen gezicht, vinden dierenorganisaties, zo'n pluizig kuiken zonder snavel.
Snavelkap gebeurt in de intensieve kippenhouderij om het pikken van soortgenoten in krappe ruimtes te voorkomen.
samengepakte varkens
Naast 16 miljoen mensen schanelen er in Nederland ruim 12 miljoen varkens rond.
Nou ja, scharrelen... de meeste zitten op elkaar gepakt in grote schuren.
Om te voorkomen dat ze de staarten van hun medevarkens afbijten, worden die gecoupeerd.
Beperkt tot deze voorbeelden, hebben biologisch gehouden beesten het beter. Stichting Skal, die controleert of bedrijven die zich biologisch noemen ook echt aan de eisen daarvoor voldoen, zegt dat elke biologische kip minstens 4 vierkante meter buitenruimte moet krijgen en dat varkens bewegingsruimte moeten hebben om in te kunnen mesten en wroeten. Een omgeving waarin dieren zichzelf niet vervelen, zorgt ervoor dat ze andere dieren niet gaan vervelen: varkens met lang stro en kippen met een scharrellaagje happen minder naar soortgenoten. Biologische boeren mogen staarten en snavels niet afknippen, maar dat is dus ook niet nodig.
biologische kippenstal
De biologische kippenstal van veehouder Van Manen in Randwijk heeft het'Beter Leven'-kenmerk van de Dierenbescherming gekregen. Hier vind je happy chicks die ruimte hebben om te scharrelen en zelfs speelgoed krijgen ter afleiding.

Vlees zonder inlegkruisje

Terug naar kippenboer Kuijpers. In zijn nieuwe pluimveehouderij wil hij kippen houden volgens de wettelijke toegestane norm van 39 kilo per vierkante meter, wat neerkomt op zo'n negentien dieren. Zijn eigen kuikens krijgen geen snavelbehandeling, al zijn aangekochte legkippen wel van tevoren gekapt. Maar Kuijpers denkt dat schaalvergroting en intensivering van veehouderijen niet per definitie hoeven te leiden tot meer dierenleed. Sterker nog, zijn plannen komen juist voort uit het streven naar meer dierenwelzijn. Naast de vijf vrijheden van Francis Brambell heeft hij zelf namelijk nog een persoonlijk speerpunt: hij wil dat de dieren vrij zijn van transport.

Kippen maken veel kilometers. Allereerst brengen fokkerijen dieren naar opfokbedrijven. Daar groeien ze twintig weken, waarna ze als jongvolwassen haantjes en hennetjes naar vermeerderingsbedrijven gaan. Daar leggen ze bevruchte broedeitjes, die naar een ruimte van 37 graden worden gebracht. Daar worden kuikentjes geboren, die vervolgens verhuizen naar vleeskuikenbedrijven. Daar worden ze gevoerd, zodat ze naar de slachterij kunnen. En daarna volgen nog reizen naar uitsnijderijen, distributiecentra, winkels en consumenten.

Kip tijdens transport
Transport van kippen maakt de productieketen onoverzichtelijk,
is een broeinest voor dierziektes en is simpelweg ellendig voor de beesten.
Kippenboer Marcel Kuijpers wil dat vervoer vermijden door op zijn eigen bedrijf te slachten.
Kuijpers wil al dat transport opheffen. Hij wil eitjes leggen en eitjes uitbroeden, kippen opfokken en kippen slachten: alles onder één dak.

Daar zijn redenen voor. Als ergens in de lange vervoersketen iets misloopt, kan nooit worden achterhaald waar dat is gebeurd. Daarnaast werkt transport dierziektes in de hand. Bovendien is het simpelweg ellendig voor de kippen en daar is de consument ook niet bij gebaat. Kuijpers: "Tijdens transport ervaren dieren veel stress, en er is een relatie tussen stress en vleeskwaliteit. Als je dieren slacht zonder transport, kun je stress voorkomen. Dat uit zich in betere kwaliteit: steviger vlees waar minder vocht uit loopt. Onze droom is om kippenvlees te maken waar niet zo'n inlegkruisje onder hoeft te liggen."

Dus had Kuijpers een eigen slachterij nodig. Hij vertelt: "Uit gesprekken met slachterijmachinefabrikanten bleek, logischerwijs, dat de kosten van slachten lager zijn naarmate de slagerij groter wordt. Het goedkoopst zijn slachterijen die zo'n twaalfduizend kippen per uur slachten; gangbaarder is achtduizend per uur. Uit ons onderzoek bleek dat wij, om relatief goedkoop te kunnen werken, een slachterij nodig hadden die vierduizend kippen per uur aankan. Om dat slachterijtje acht uur per dag draaiende te houden, hebben we dus dagelijks 32.000 kuikens nodig. En om daar in te voorzien, moeten we ongeveer 960.000 vleeskuikenplaatsen hebben." Bijna een miljoen kippen. Kuijpers schrok er zelf ook van. Maar hij nuanceert het getal wel. "Er zijn in Nederland slachterijen die met twee productiebanden zo'n 24.000 kuikens per uur slachten.
volièrekippen
Sinds januari dit jaar zijn legbatterijen verboden.
Deze zogenoemde volièrekippen hebben dankzij de verdiepingen in hun verblijf
alweer iets meer vierkante meters dan hun soortgenoten hadden in een legbatterij.
Toch zitten ze nog zo dicht op elkaar dat ook bij hen de snavels preventief worden gekapt.
Die hebben dus eigenlijk bijna 6 miljoen vleeskuikenplaatsen nodig, maar verspreid over diverse bedrijven in een straal van 300 kilometer. Zo bezien zijn wij straks een van de kleinste slagerijen van Nederland. Dus waar is sprake van schaalvergroting en waar van schaalverkleining? Bovendien kunnen we er gewoon niet omheen: de keiharde consequentie van het niet willen transporteren van dieren, is dat we een miljoen vleeskuikens nodig hebben."

Nasty shit

Maar dierenwelzijn is niet het enige onderwerp in het bio-industriedebat. De laatste jaren staat vooral ook het milieuaspect centraal. Dat thema werd op de agenda gezet door de Food and Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties, met het rapport Livestock's long shadow uit 2006. In het stuk werden de environmental issues van de wereldwijde veeteelt uitgeplozen. De conclusies waren niet mals: gemeten in CO2-equivalent is de veehouderij verantwoordelijk voor 18 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen. Dat is meer dan de complete transportsector, die 'slechts' 13 procent voor zijn rekening neemt.

Biologische koeien
Een ouderwets Hollands plaatje: koeien in de wei.
Maar deze stoere biologische pinken (1-jarige koeien) laten wel hun 'uitlaatgassen' de vrije loop, met alle gevolgen van dien.
Uitgesplitst per broeikasgas zijn de cijfers als volgt. De veeteelt veroorzaakt 9 procent van de antropogene (door mensen geproduceerde) CO2-uitstoot en 37 procent van de uitstoot van antropogeen methaangas, dat de aarde 23 keer zo sterk opwarmt als CO2. Methaan ontstaat tijdens fermentatieprocessen in het maagdarmkanaal van herkauwers, en bereikt de omgeving door veescheten, dierendrollen en beestenboeren. Bovendien zorgt de veehouderij voor 65 procent van het antropogeen lachgas, dat maar liefst 296 keer zo schadelijk is als CO2. Daarnaast levert de branche 64 procent van de ammoniakuitstoot en is ze door afval en meststoffen een van 's werelds grootste watervervuilers. Nasty shit dus, letterlijk en figuurlijk.


HET VEGETARISCH ALTERNATIEF?
Wie niets met de bio-industrie te maken wil hebben, kan vegetarisch of veganistisch gaan leven. Dat levert misschien persoonlijke gemoedsrust op, maar zal geen enorme zoden aan de dijk zetten. Het merendeel van de productie van Hollandse boeren is namelijk bestemd voor de export, veelal binnen de Europese Unie. De jaarlijkse voorzieningsgraad voor kalfsvlees, pluimveevlees en varkensvlees is respectievelijk 730,190 en 260 procent. Dat betekent dat Nederlanders jaarlijks meer kalfsvlees maken dan ze in zeven jaar opeten.
varkenspootjes


Bij groente is het percentage trouwens 460 procent en bij aardappelen 300, maar voor rundvlees, vers fruit, vis en graan hebben we import nodig. Een veranderende vleesvraag in Nederland zal de productie dus nauwelijks beinvloeden. Zeker niet aangezien de wereldbevolking en de wereldwijde welvaart toenemen: verwacht wordt dat de vraag naar vlees in 2050 twee maal zo groot is als in 2000. Reden genoeg dus om te kijken welke veehouderijsystemen de beste zijn, want ze zullen voorlopig niet verdwijnen. Voor velen waren de klimaatconsequenties nieuwe munitie tegen de intensieve veehouderij. Filosoof Jonathan Safran Foer beschrijft het FAO rapport in zijn boek Dieren eten en concludeert: "Simpel gezegd: iemand die regelmatig producten uit de bio-industrie eet, kan zichzelf niet milieubewust noemen zonder het woord van zijn echte betekenis te ontdoen."

Helaas voor Foer en zijn fans bevat die slotsom een fout. De FAO inspecteerde namelijk niet alleen de bio-industrie, maar alle veeteelt - intensief en biologisch. Sterker nog, vanuit milieuoverwegingen valt volgens de FAO de intensieve veehouderij verreweg te verkiezen boven de biologische variant. Want hoe diervijandig de inmiddels verboden legbatterijen ook waren, kippen in zo'n kooi stootten minder ammoniak uit dan soortgenoten in kipvriendelijkere volieresystemen. Varkens in de intensieve veeteelt kunnen niet wroeten, maar produceren minder CO2 dan hun biologisch gehouden biggenbroertjes.

"De veeteelt is een van de twee of drie grootste veroorzakers van de meest serieuze milieuproblemen, op elke schaal van lokaal tot wereldwijd," schrijft de FAO . Maar ook: "Een algemene conclusie is dat het verbeteren van de efficiëntie van grondstofverbruik in de veeteelt milieuproblemen kan verminderen." En van welke bedrijfstak was efflciëntie ook alweer het sleutelwoord?

Ingewikkelde rekensom

De FAO-conclusie is logisch. Om 1 kilo vlees te creëren, moet een veedier (afhankelijk van de soort) zo'n 3 tot 8 kilo voer binnenkrijgen. Een fikse investering voor de boeren dus. En dan is het simpel: een rondrennend en wroetend varken verbrandt veel calorieen, een gekooid dier dat nauwelijks kan bewegen niet. Koeien in de wei moeten zelf hun temperatuur op peil houden, terwijl moderne stallen daar automatisch voor zorgen. Dieren die buiten lopen, krijgen vaker infecties en het herstel daarvan kost energie. Het spreekwoord zegt dat vieze varkens niet vet worden, en de bio-industrie zegt dat ook. Qua efficiënte voer-vlees-omzetting gaat er dus niets boven de intensieve veeteelt, maar intensivering is niet op alle vlakken beter.

Wetenschappers van Wageningen UR maakten van diverse landbouwproducten een levenscyclusanalyse, een complete berekening van het grondstofverbruik en de milieueffecten. De conclusies: voor een kilo biologische melk wordt minder fossiele energie verbruikt en worden minder vermestende stoffen uitgestoten dan voor een kilo gewone melk. De emissie van broeikasgassen en verzurende gassen is voor beide gelijk. En de lokale milieudruk per hectare is lager voor biologische melk, maar biologische melk heeft uiteraard wel veel meer hectares grond nodig. Waar de intensieve veeteelt het op milieugebied wel wint van het biologische boeren, doet de sector dat op twee vlakken: efficiënt gebruik van grond en efficiënt gebruik van grondstoffen. Maar daarbuiten is de rekensom ingewikkelder. Varkens die snel aankomen, belasten het milieu minder. Maar doordat de bioindustrie grotere aantallen dieren houdt, kan de lokale milieudruk toch toenemen. En wat is de juiste maat: de gevolgen per gehouden dier, per kilo geproduceerd product, of per hectare? Hoewel de FAO behoorlijk uitgesproken is, durft een gespecialiseerde voorlichtingsorganisatie als Milieu Centraal niet te zeggen welke van de twee boerderijvormen de beste is.

Wel kan intensieve veehouderij makkelijker technologie inzetten om milieuschade te beperken. Bij Kuijpers'geplande kippenhouderij gaat alle lucht die de stal verlaat eerst door een chemische luchtwasser. Die verwijdert 40 procent van de geur, 35 procent van het fijnstof en 90 procent van de ammoniak. Biologische boerderijen, waar dieren buiten lopen, kunnen zulke snufjes niet toepassen. Kuijpers: "Ik heb samen met mijn broers nu vier kippenbedrijven van elk zo'n 150.000 kuikens. Het nieuwe bedrijf levert straks minder uitstoot dan elk van de vier bedrijven die we nu hebben afzonderlijk."


BIOLOGISCHE HONGER?
Biologische landbouwers gebruiken geen kunstmest en synthetische gewasbeschermingsmiddelen (zo wordt op deze foto het onkruid op een biologische akker handmatig verwijderd).
handmatige verwijdering van onkruid
Daardoor produceren zij per hectare minder voedsel dan hun intensievere vakgenoten. Een recente studie van Wageningen UR liet zien dat de gewasopbrengst in de biologische landbouw wereldwijd 20 procent lager ligt dan die van gangbaar geteelde gewassen. Om tot die conclusie te komen, vergeleken de onderzoekers 362 wetenschappelijke papers uit de afgelopen 25 jaar. Het geeft voer voor critici van biologische landbouw: een vaak gehoord bezwaar is immers dat bioboeren, zeker met een groeiende bevolking nooit genoeg eten kunnen produceren om alle monden te voeden.

Bacteriën bestrijden

Naast verspreiding van vervuilende stoffen is de veehouderij berucht om de verspreiding van ongezonde stoffen. Denk aan het Schmallenbergvirus, dat kalfjes en lammeren misvormd geboren laat worden. Een dag na de demonstratie op de Dam werd in een Limburgse boerderij gestart met het ruimen van 42.000 kalkoenen, noodzakelijk vanwege een vogelgriepuitbraak. In 1997 zagen we de klassieke varkenspest. in 2001 dook mond- en klauwzeer op. in 2003 vloog de klassieke vogelpest rond en in 2010 stierven elf mensen aan de Q-koorts. En de lijst is nog lang niet compleet.

petrischaaltje
In het quarantainelab van de Plantenziektenkundige Dienst worden knutten onder de loep genomen,
kleine mugjes die veeziektes als blauwtong en het Smallenbergvirus kunnen overbrengen.
De precieze rol van de bio-industrie bij zulke epidemieen is onduidelijk. Dierziektes zijn van alle tijden en komen bij zowel grote gigastallen als bij kleinschalige keuterboeren voor. In 1926 waarde in ons land al klassieke vogelpest rond, en al in 1911 werden ruim 71.000 bedrijven getroffen door mond en klauwzeer. En dat terwijl doctrine-ontwerper Siccc Mansholt toen pas drie jaar oud was. De intensivering van veehouderijen heeft wel de gevolgen van dierziektes vergroot: veel meer beesten zijn de pineut. Maar waar mensen zich waarschijnlijk vooral zorgen om maken, is hun eigen gezondheid. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico's voor mensen die rond boerderijen wonen. In 2010 ontdekten wetenschappers van de Universiteit Utrecht rond intensieve veehouderijen hogere concentraties fijnstof en endotoxine (waarvan inademing kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen). Bovendien werd in de verzamelde fijnstofmonsters regelmatig de bacterie Coxiella burnetii aangetroffen, die een jaar eerder de uitbraak van Q-koorts had veroorzaakt. Ook de veespecifieke MRSA-bacterie werd vaker en in hogere concentraties teruggevonden in een straal van 1 kilometer rond veehouderijen.

Deze metingen vertalen zich lastig naar gezondheidscijfers. Anders dan je misschien verwacht, komt er in regio's met veel veeteelt minder astma, COPD en hooikoorts voor. Maar mensen met deze aandoeningen hebben nabij veehouderijen wel vaker last van longontstekingen en complicaties. Ook lopen mensen rond intensief gehouden beesten meer kans op 'mogelijke Q-koorts', waarbij het risico groeit naarmate ze dichter bij een boerderij wonen en naarmate de boerderij meer dieren telt. (Voor het onderzoek zijn gegevens van huisartsen gebruikt, maar zij stellen zelf geen Q-koorts vast. Vandaar dat de conclusie helaas niet harder werd dan: meer kans op 'mogelijke Q-koorts'.)

Kalkoen ruiming
Bij een kalkoenhouderij in het Limburgse Kelpen-Oler werd afgelopen maart het vogelgriepvirus aangetroffen.
Alle 42.700 kalkoenen moesten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit worden geruimd.
Een andere veegerelateerde gezondheidskwestie is het gebruik van antibiotica. Die kan op twee manieren als bacteriebestrijding worden ingezet: reactief, om zieke dieren te genezen, en preventief, om te voorkomen dat dieren ziek worden. Een valkuil van grootschalig antibioticagebruik is het feit dat bacteriën niet stilzitten, maar zich aanpassen en proberen de bestrijding te omzeilen. Zo kunnen ze resistent worden, waardoor de effectiviteit van antibiotica afneemt of zelfs verdwijnt. Als zo'n resistente bacterie vervolgens een ziekte veroorzaakt, bij mensen of bij dieren, hebben we dus geen enkel middel meer om die te bevechten.

Het dierlijk antibioticagebruik in Nederland is hoger dan elders in Europa, terwijl het menselijk gebruik juist lager is. Op biologische boerderijen wordt minder antibiotica ingezet en is preventief gebruik ervan zelfs verboden. Maar ook de intensieve veehouderij laat de laatste jaren een dalende lijn zien. Kippenboer Kuijpers mag zichzelf als voorbeeld noemen: "Wij gebruiken al vijftien jaar geen preventieve antibiotica meer. Maar als we zieke dieren hebben, genezen wij ze. En doordat we in het nieuwe bedrijf zelf de hele keten vormen en geen transport meer nodig hebben, zullen onze dieren überhaupt minder kans op ziekte hebben."

Supersysteem

Het bekvechten tussen de biologische boerderij en de bio-industrie is voorlopig nog niet voorbij. Het complexe van de kwestie is dat de afzonderlijke thema's helemaal geen afzonderlijke thema's zijn, maar juist op talloze manieren met elkaar verweven zijn. Het is mooi als een agrarische firma investeert in dierenwelzijn, maar dikke kans dat het bedrijf daarmee wel het milieu benadeelt. En het is mooi wanneer boeren hightech luchtwassers installeren, maar die werken alleen als de beesten binnenblijven. Dieren op elkaar proppen is hartstikke efficiënt, maar dramatisch zodra er ook maar eentje de griep krijgt. In plaats van met de ruggen tegen elkaar aan te staan, zouden beide sectoren misschien wat vaker in elkaars ogen moeten kijken.

Qua dierenwelzijn kan de bioindustrie nog flink leren van de biologische boerderij. Anderzijds kan intensieve veehouderij de biologische tak de hoognodige bijlessen in efficiency geven. Negentien kippen per vierkante meter is misschien wel erg krap, maar dat betekent niet dat biologische boeren geen eigen slachterij kunnen hebben. Op dit moment is geen van de twee invalshoeken op alle fronten de beste. Maar als beide filosofieën niet bereid zijn van elkaar te leren, zal zo'n supersysteem er ook nooit komen.

Rik Peters bezocht de demonstratie op de Dam en sprak met kippenhouder Marcel Kuijpers. Verder gebruikte hij onder meer de volgende literatuur:

- Over zorgvuldige veehouderij | wageningen UR (2010)
- The Future of Animal Farming | Blackwell Publishing (2008)


Bron:

KIJK juni 2012