Boeddhistische Ethiek

door Lars Lanke
All beings are flowers
blooming
in a flowering universe
(Nakagawa, 1946)
In het boeddhisme wordt het woord "karma" gebruikt om de wet van oorzaak en gevolg aan te geven. Het principe van causaliteit wordt in het boeddhisme echter niet alleen toegepast op het materiële, maar ook op psychologisch en moreel niveau. Negatieve acties veroorzaken negatieve gevolgen en positieve acties leiden tot positieve resultaten.

Onze mentale patronen zijn er de oorzaak van hoe we tegen een situatie aankijken en hoe we erin handelen. Elke handeling, woord of gedachte en de daaropvolgende ervaring laat een afdruk achter in de geest die op zijn beurt weer de oorzaak is voor volgende handelingen. Negatieve woorden, daden en gedachten veroorzaken lijden en dat is de belangrijkste reden waarom ze moeten worden vermeden. Wat betreft het morele en psychologische niveau van causaliteit geldt de wet van karma alleen als er sprake is van een wilsuiting.

Per ongeluk op een mier trappen veroorzaakt geen negatief karma. Boeddha zei: "Actie is intentie." De juiste intentie is essentieel om in de goede richting te gaan en de uitweg uit lijden te vinden. Hoewel je dus de zoete of pijnlijke vruchten plukt van je eigen acties en gedachten en uitspraken, hoef je geen weerloos slachtoffer van het lot te zijn. Je hebt ze zelf veroorzaakt en hebt zelf ook de mogelijkheid om met je wil een andere kant op te gaan zodat je niet meer overgeleverd bent aan destructieve gewoonten.

Daarom is het zo belangrijk dat bewustzijn en wilskracht geoefend worden. Dit inzicht stopt het steeds maar weer afschuiven van de verantwoordelijkheid op anderen of op de situatie.

Gelijkheid en mededogen

Boeddhistische ethiek komt voort uit het inzicht dat alles en iedereen met elkaar verbonden is. Dit kan vergeleken worden met je linker- en rechterhand. Het is vanuit een bepaald standpunt waar dat er links en rechts is en daardoor lijken het twee verschillende dingen. De linker- en rechterhand maken echter deel uit van één lichaam. Je rechterhand zal niet met je linkerhand gaan vechten, maar zal er voor zorgen als hij verwondt is. Op dezelfde manier ga je met andere levende wezens om.

Als we één zijn met elke situatie en elke persoon die we ontmoeten, komt mededogen vanzelf op en doen we spontaan wat juist is. Glassmann zegt hierover: "Als je werkelijk de eenheid van het leven hebt ervaren en je komt een dakloze op straat tegen, dan vraag je niet: "Is dat mijn broeder?" Het is een vanzelfsprekendheid, en je draagt zorg voor je broer. Omdat hij jou is" (Glassmann, 2002, p. 55). Deze instelling beperkt zich niet alleen tot mensen, maar strekt zich uit tot respect en mededogen voor alle levende wezens.

Harada Tangen herinnert ons eraan dat hulpvaardigheid gedaan moet worden vanuit eerbied en bescheidenheid: "It is not by some small independent mind that we live, we live by the grace of all being" (Tangen, 2001).

Mededogen en wijsheid zijn in het boeddhisme dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wijsheid is mededogen, mededogen is wijsheid. Dit betekent echter niet dat je zomaar over je heen laat lopen. Het is belangrijk om te onthouden dat eenheid en verscheidenheid twee kanten van dezelfde werkelijkheid zijn. Je moet je dan ook inspannen om onrecht te voorkomen of misstanden recht te zetten, voor jezelf en voor anderen. Anders kan een idee van eenheid zelfs een excuus worden om je eigen angst en onzekerheid goed te praten.

Als je zoiets tegengaat, doe je dat niet uit zelfgehechtheid, maar omdat dat eenvoudigweg niet juist is. Hierbij kan weer het voorbeeld van je eigen lichaam worden gebruikt. Als je kanker krijgt moet er soms hardhandig worden ingegrepen zodat het lichaam als geheel kan overleven. Door zowel verscheidenheid als eenheid te zien, neem je echter maatregelen die het systeem als geheel zo weinig mogelijk schade opleveren. Ook zulke acties worden dus vanuit inzicht en mededogen gedaan.

Ethisch leven

Hoewel de fundamentele aard van alle mensen volgens het boeddhisme één en volmaakt goed is, gedragen we ons door verwarring en heftige emoties alles behalve verlicht. Doordat we meestal vanuit het onderscheidmakende bewustzijn werken en geregeerd worden door onbewuste, ingesleten reactiepatronen, is het moeilijk om vanuit het inzicht van eenheid te leven.

Toen Harada Tangen werd gevraagd wat het slechte was antwoordde hij dat alle gedachten, woorden en daden die uit zelfzuchtigheid voortkomen, slecht zijn (Tangen, 1998). Volgens het boeddhisme zijn deze negatieve gewoontes het gevolg van vele levens van onwetendheid, hebzucht en agressie. Er zijn dus maatregelen nodig om terug te keren tot de oorspronkelijke goedheid.

Reflectie op je eigen daden en gedachten wordt in het boeddhisme als eerste stap gezien om negatieve denkgewoonten en gedrag om te vormen tot liefde en mededogen. Door aandachtig je zwakheden te erkennen, wordt de weg vrij gemaakt voor verandering. Door je aandacht te trainen in meditatie leer je meer aanwezig te zijn en sterker contact te maken met mensen en omstandigheden.

Doordat je bewustzijn helderder wordt en zich verruimt, ben je in staat om steeds meer aspecten te zien die in een bepaalde situatie meespelen. Door regelmatige beoefening van meditatie en het oefenen van aandacht in het dagelijks leven ga je de eenheid van het leven steeds dieper beseffen. Aandachtig leven, wijsheid en deugdzaamheid zijn nauw met elkaar verweven.

Hiermee wordt tevens het sociale aspect van meditatie aangegeven. In meditatie is het niet de bedoeling om alleen maar voor jezelf te oefenen en je niets van het lijden van anderen aan te trekken. De juiste motivatie is om te oefenen voor alle levende wezens. De resultaten van meditatie en verlichting moeten voor het welzijn van iedereen worden ingezet.

In de Avatamsaka Sutra staat hierover geschreven: "Het grote mededogen is de essentie van meditatie. Zonder dit grote hart van liefde en mededogen is de meditatie, hoe verheven ook, van geen enkele waarde" (Avatamsaka Sutra, in vertaling: Lathouwers, 2000, p. 210).

Omdat mensen vaak hardnekkig vastzitten in negatieve patronen zijn er richtlijnen opgesteld om mensen te helpen deze leefwijze in praktijk te brengen. Boeddha heeft vijf basisvoorschriften opgesteld:

1. Geen levende wezens doden.
2. Steel niet.
3. Bega geen seksueel wangedrag.
4. Spreek geen leugens.
5. Neem geen bedwelmende middelen.

De positief geformuleerde praktijken die hierbij horen zijn het beoefenen van liefdevolle vriendelijkheid, vrijgevigheid, tevredenheid, oprechte communicatie en heldere aandacht. De belangrijkste deugden hierbij zijn: gelijkmoedigheid, liefde, mededogen en medevreugde.

Het Boeddhisme gaat ervan uit dat mensen van nature goed zijn, maar dat deze ware aard wordt verduisterd door conditioneringen. Hieruit volgt dat ethiek geen beperking is, maar een bevrijding en uiting van de inherente goedheid. Verder zijn de voorschriften geen geboden of verboden, maar algemene richtlijnen. Ze worden vrijwillig opgenomen en het wordt aan de verantwoordelijkheid van het individu overgelaten om op basis van eigen inzicht hiermee in concrete situaties om te gaan.

Het gaat niet om de uiterlijke regel, maar om de geest achter de norm, die spreekt uit de volgende uitspraak van Boeddha: "Haat wordt nooit tot vrede gebracht door haat. Haat wordt tot vrede gebracht door liefde. Dit is een eeuwige wet" (Dhammapada).