Verdeeld en verknipt

door Sarah Morton
Laatst was er in een documentaire (Jelle Brandt Corstius reist door Rusland) een voormalig Russisch strijder (Afghanistan) te zien, die in tranen liet weten dat hij het in oorlogstijd pas goed had gehad: er was daar onderlinge verbondenheid! Hij en zijn acht manschappen vertrouwden volledig op elkaar. Ze steunden en hielpen elkaar en kenden elkaar door en door. Maar nu, terug in Rusland, was het: iedereen trekt zijn eigen kar. De man had géén leven meer, in deze situatie.

Kinderen horen vrij en onbelemmerd te kunnen opgroeien. In onze maatschappij kunnen baby's vanaf de geboorte al gescheiden worden van hun levensbron; de moeder. Niet zelden komen zij terecht in een aparte babyzaal, omdat de moeder 'moet' uitrusten of omdat ze anders de hele kraamafdeling wakker gaan houden. Volgens een schema komt iemand ze voeden en verschonen. Hun conditie wordt in de gaten gehouden, voor de rest kijkt niemand naar ze om. Af en toe verschijnt er een bericht over baby's die mishandeld zijn en waar men pas uren later achterkomt.

Veel ouders zijn zelf al zo gehersenspoeld en geconditioneerd dat ze niet eens beseffen hun kindje af te leveren aan des-kundigen. Afstaan, niet alleen op papier maar daadwerkelijk. Dit zijn dan de eerste indrukken die het kind meekrijgt van onze wereld. Angst, eenzaamheid, verlatenheid. Niemand die reageert op de noodkreten. Weliswaar zijn er veel ziekenhuizen waar het anders gaat. Waar de baby (tenzij bij een medisch noodgeval) zo snel mogelijk op de buik van de moeder komt te liggen, het ongestoord de borst kan vinden en dag en nacht bij haar op de kamer mag blijven. Deze baby's zijn ontspannen en kunnen vaak al glimlachen.

We leven in een maatschappij waar baby's zo jong mogelijk worden gescheiden van de moeder en worden geprogrammeerd naar de maatstaven van onze 'samenleving'. Robotisering. De band tussen ouder en kind kan niet in alle rust groeien of intact blijven. Het kind komt terecht in een zakelijke, liefdeloze omgeving. Het lijkt de norm om kinderen zo jong mogelijk (wanneer ze er biologisch en psychologisch nog helemaal niet aan toe zijn) te leren om op zichzelf te staan.

Een baby beseft - zo stelden wetenschappers vast - pas op een leeftijd van 8 à 9 maanden, dat het een eigen lichaam heeft; daarvóór ervaart de baby nog geen verschil tussen het eigen en moeder's lichaam! Naar de kindercrèche of zelfs een 'eigen' kamer betekent dus létterlijk een scheuring. Het voelt voor een kind als uiteen gereten worden. Aldus mag het kind níet de ervaring opdoen van het ontwikkelen van een hechte band: de eigen moeder is de eerste maanden daarvoor (van nature) bedoeld. Aldus zo worden wij gevormd tot "losse" personen, zónder enige betrokkenheid met elkaar. Alleen in het Westen is het de norm om baby's in een aparte kamer te laten slapen. 'Primitieve' volkeren zouden geschokt zijn over hoe wreed we in het moderne maatschappij met baby's omgaan. Veel ouders vermijden iedere 'onnodige' aanraking. Het kind ligt in het wiegje, stoeltje, in de kinderwagen of in de box. Alleen tijdens het voeden, kleden en verschonen wordt de voortdurende behoefte aan lichaamscontact even gestild. Het kind reageert positief op deze momenten, probeert er zoveel mogelijk uit te halen. Wat voor een bittere beproeving alle uren zijn die het in eenzame opsluiting door moet brengen, ziet niemand. Ook op latere leeftijd kunnen zij moeite hebben met intimiteit en kunnen geen gezond evenwicht kunnen bewaren tussen afstand en nabijheid. Ze kunnen hun geliefde afweren of juist claimen. Er is geen afstemming.

Het is moeilijk voor de meeste kinderen om te beseffen hoe verdeeld ze zelf zijn (in zichzelf). In zekere zin hebben de meeste mensen een gespleten persoonlijkheid en zijn afgedreven van hun natuur, hun kern. Het eenheidsgevoel is al jong verloren gegaan. Al vanaf kleins af aan zijn ze in allerlei rollen en situaties gedwongen, ook als ze deze niet aankonden. Ze waren overgeleverd aan werkelijkheden die bedreigend waren en die niet met elkaar te rijmen waren. Zoals de boodschap: 'Ik hou van je, dus doe ik je pijn'. Bijna niemand zegt zoiets letterlijk, toch komt het er vaak op neer. Het ervaren raakt versplinterd. Hier komt ook het denken in categorieën vandaan, het denken in 'wij' en 'zij'. Geen onderlinge verbondenheid, geen vitaliteit, inspiratie of echte liefde.

Voor een kind is het van levensbelang om te merken dat er iemand om hem geeft. Het is nog niet in staat om voor zichzelf te zorgen en de liefde te geven die het nodig heeft. Ook volwassenen hebben liefde nodig, alleen het is minder urgent en zij hebben meer mogelijkheden om zacht te zijn voor zichzelf. Het zijn vooral onverwerkte ervaringen, afwijzing, angst en eenzaamheid in de kindertijd waardoor zovelen zich hulpeloos voelen en behoefte hebben aan iemand die voor ze zorgt. Wat zij hebben meegemaakt en moesten ontberen, vraagt om verwerking en liefdevolle erkenning. Hoeveel mensen geloven niet dat ze niets moeite waard zijn en niemand om hen geeft?

Binnen de jeugdzorg zijn kinderen verworden tot handelswaar. Het kind uit huis trekken zien zij als de eerste oplossing, in plaats van laatste redmiddel. De aanleiding kan een anoniem telefoontje zijn, of de ouders vragen hulp bij opvoedproblemen, juist omdat zij het beste willen voor hun kind en het gezin. Iets bewijzen hoeft bovendien niet, de rechter vertrouwt veelal op de 'onderzoeks'rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en heeft maar een half uur de tijd om te beslissen over een uithuisplaatsing. Positieve verhalen over de ouders worden niet opgenomen in het dossier en de kinderen krijgen geen stem. Nederland is kampioen kinderen uit huis plaatsen, nergens ter wereld is het percentage zo hoog. De ouders en kinderen zien elkaar bijvoorbeeld een uurtje per maand. Bewust de band kapotmaken? De psychische schade die de 'kinderbescherming' zelf teweegbrengt, kan weer een 'aanwijzing' zijn voor wat er aan de hand zou zijn in het gezin.

Laatst raakte ik in gesprek met eende moeder metvan een zoontjeeen jochie van zo'n 20twintig maanden. We zaten in de trein. Hij zat wel in de wagen, maar niet vastgebonden. Als hij iets wilde delen, ging de moeder erop in en ze betrok hem bij het moment. Wat er te zien was, of wat ze gingen doen. Ik zei oprecht: "Wat een leuk kind en jullie hebben een fijn contact." Dat beaamde ze. Toen het jongetje eruit wilde, mocht dat, als hij zich maar goed vasthield. Ik legde uit dat veel ouders en kinderen volkomen langs elkaar heen leven. "Hier gaat dit niet zo, wij vinden het veel te gezellig met elkaar", lachte de moeder. Ik was blij om dat te horen, maar ik dacht ook: waarom vinden veel andere ouders het niet gezellig met hun kinderen, en ervaren ze hen als een last? Het geluk van een kind en een goede band zijn toch onbetaalbaar? Ik ken wel gezinnen en voorbeelden waarbij de ouders laten merken dat ze blij zijn met hun kinderen. Iedereen maakt deel uit van het gezin en heeft z'n eigen plaats. Er is verbondenheid en interactie. Wanneer de buitenwereld hard en vijandig lijkt, hebben de kinderen thuis tenminste een basis. Daar vanuit kunnen ze opgroeien tot een betrokken, verantwoordelijke en werkelijk zelfstandige volwassene. Geen overlevingstactieken of verdringing, maar op eigen benen staan wanneer het eraan toe is. Zij voelen zich heel en compleet, hebben zin in het leven. Zij kunnen innerlijke vrede ervaren. Baby's in een draagdoek zien er relaxt uit en lijken slap van geluk. Anders dan kinderen die op afstand worden gehouden. Veel mensen zijn bang dat deze kinderen niet zullen opgroeien, omdat ze zoiets fijns niet zouden willen opgeven. Maar juist als je de warmte, liefde en aandacht kreeg die je nodig hebt, ontwikkel je de kracht en het zelfvertrouwen om voor jezelf te zorgen... en zelf zo'n moeder of vader te worden. De basis voor een samen-leving ligt besloten in de kindertijd.

Bronnen: